Schaken spelregels

Start

Schaken wordt gespeeld op een bord dat bestaat uit 8x8 om-en-om donkere en lichte vlakjes. Beide spelers beginnen met elk 16 stukken in de eigen kleur. Het doel van Schaken is om ervoor te zorgen dat de koning van de tegenstander geen zet meer kan doen zonder vervolgens geslagen te worden (schaakmat).

Verloop

Om de beurt verplaatsen de spelers één van hun stukken, die ieder een eigen manier van verplaatsen hebben. Aangrenzend aan het huidige vlakje waarop het stuk staat, zijn deze:
• Pion: 1 vlakje verticaal vooruit of 1 vlakje diagonaal vooruit indien een stuk geslagen wordt
• Toren: over de gehele horizontale of verticale lijnen
• Loper: over de gehele diagonale lijnen
• Paard: 2 vlakjes horizontaal én 1 vlakje verticaal of 2 vlakjes verticaal én 1 vlakje horizontaal
• Koningin: over de gehele horizontale, verticale of diagonale lijnen
• Koning: 1 vlakje horizontaal, verticaal of diagonaal

Daarbij gelden de volgende regels:
• Wanneer een stuk eindigt op een vlakje waarop een stuk van de tegenstander staat, wordt het stuk van de tegenstander uit het spel gehaald (geslagen).
• Met uitzondering van het paard mag een stuk niet over andere stukken springen.
• De koning mag niet verplaatst worden naar een vlakje waarop hij vervolgens geslagen zou kunnen worden (schaak). Indien dit niet meer mogelijk is en de koning niet schaak staat, eindigt het spel in een gelijkspel.
• Indien een koning schaak komt te staan, moet deze eerst verplaatst worden.
• Indien een pion nog nooit verplaatst is, mag deze ook 2 vlakjes verticaal vooruit verplaatst worden.
• Indien een pion de overkant bereikt heeft, wordt deze opgewaardeerd naar een toren, loper, paard of koningin. De huidige speler mag de keuze hieruit zelf maken.
• Indien 3 maal dezelfde bord opstelling voorkomt, eindigt het spel in een gelijkspel.

Schaken kent daarnaast nog 2 speciale regels:

En passant
Wanneer er gekozen is om een pion 2 vlakjes vooruit te verplaatsen en deze daardoor links of rechts naast een pion van de tegenstander eindigt, dan mag de tegenstander in zijn volgende spelbeurt deze pion slaan middels een diagonale verplaatsing vooruit waarbij zijn betreffende pion achter de geslagen pion komt te staan. Deze slag is slechts éénmalig mogelijk meteen nadat een speler een pion 2 vlakjes vooruit heeft verplaatst.

Rokade
Indien de koning en een toren beide nog niet verplaatst zijn en er geen andere stukken tussen hen in staan, mag de koning 2 vlakjes verplaatst worden richting de toren. De toren springt vervolgens naar het eerstvolgende vlakje over de koning. Deze zet is slechts éénmaal mogelijk.

Einde

Het spel eindigt wanneer een speler geen zet meer kan doen zonder dat zijn koning vervolgens geslagen wordt. De andere speler wint het spel.